De bokkenpruik en de zeven lachjes 3 van 7

Een verhaal in 7 delen – deel 3 van 7

In het bos

3 mannen in het bosDe volgende dag scheen de zon breeduit. Zonnestraal werd wakker en rekte zich uit. Gelukkig was het allemaal maar een boze droom. Ze wreef in haar ogen en door haar haar. “Aaaaahhhh,” waar waren haar lange blonde lokken gebleven? Ze voelde hoorntjes. Ze vloog uit bed om in de spiegel te kijken en zag dat de boze droom waar was. Ze liep rood aan en riep “ik krijg je nog wel, oude heks!” Snel kleedde ze zich aan, sloeg een hoofddoek om en snelde naar het hutje aan de rand van het bos. Ze bonsde op de deur, “doe open,” gilde ze uit. Maar er kwam niemand. Ineens viel het briefje op dat aan de deur geprikt was. “Ik ben in het bos” stond erop geschreven. Stampend en snuivend liep het meisje weg, richting het bos.

In het bos riep ze om de oude vrouw. “Heks, waar ben je? Kom tevoorschijn, dat beveel ik je,” schreeuwde ze. Maar wat er ook gebeurde, er was geen oude vrouw te bekennen. Woedend en schreeuwend liep het meisje verder en verder, al dieper en dieper het bos in. Op een gegeven moment zakte ze uitgeput op de grond, ze kon niet meer. Ze keek in een plas water en zag haar bokkenpruik glinsteren in de zon. De hoorntjes staken er vrolijk doorheen. Haar woede was al gekalmeerd en ergens in de diepte van haar brein kwam er een vage gedachte dat de heks misschien wel gelijk had gehad. Ze schrok van die gedachte en duwde het snel weg.

Toen ze opkeek zag ze drie kleine mannetjes voor zich staan. Het meisje keek hen aan alsof ze water zag branden en de kereltjes keken haar aan alsof ze vuur zagen blussen. Na een tijdje naar elkaar gekeken te hebben sprong een van hen naar voren, prikte haar in de arm, en sprong gauw weer achteruit. “Au, wat doe je?” riep het meisje. “Huh”, riep de oudste van de drie. “Ze pan kraten, eh, ze kan praten.” “Hmpf”, zei het tweede mannetje. “Wat moeten we hier, laten we maar gauw naar huis gaan. Ze is vast behekst en dat kunnen we niet gebruiken.” “Hahahatsjie” niesde de derde luid. “Ze ziet er niet gevaarlijk uit hoor, misschien kunnen we haar wel meenemen.” Het meisje keek verbaasd hoe de drie kereltjes met elkaar overlegden, alsof ze niet helemaal niet bestond. Ze werd al weer boos totdat het tot haar doordrong dat ze geen idee had waar ze terecht gekomen was. “Neem me alsjeblieft mee,” zei ze, “ik weet niet waar ik ben en waar ik naar toe moet.” De oudste nam het woord: “huh, kom maar mee, dan zullen we overleggen met de anderen.”

Naar deel 4 van 7 >>

Doe mee met de conversatie

1 reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *