Wanneer raakt een lach ons? Wanneer denk je, ja, dit is ‘m?
Als ik zo kon lachen dan lachte de wereld mij toe, dan viel het geluk me in de schoot en dan was mijn balboekje altijd vol.
Of als iemand zo naar mij lacht dan word ik week in de knieën, dan smelt ik tot een klein plasje als ijs in de zon.
Een lach is een lach. Om aan te duiden wat de lach ons doet gebruiken we een bijwoord, het liefst in een grootse en meeslepende vorm. In dit artikel tien superlatieven en een speciale toelichting.
1 Dazzling – oogverblindend
Volgens de Cambridge Dictionary is een oogverblindend licht zo helder dat je een korte tijd niets kan zien wanneer je er in gekeken hebt.
Een dazzling smile, of oogverblindende lach, is extreem aantrekkelijk of opwindend.
2 Magical – betoverend
Arwen uit Lord of the Rings. Alle ogen zijn op haar gericht. Zij kijkt je aan met een betoverende glimlach.
Een geheimzinnige lach die je achtervolgt en niet meer loslaat.
Een lach waarbij de wereld vervaagt en niets anders overblijft dan een zachte mond die licht omhoog krult en een paar ogen die je doordringend aankijken.
3 Fabulous – fabelachtig
De leeuw en de muis – fabel
De leeuw werd wakker van iets dat over hem heen en weer rende. Hij sprong op, greep de muis bij zijn staart en hield hem boven zijn muil om in een hap te verorberen. “Wee jij muis die respectloos omgaat met mij, koning der dieren.”

“Alstublieft, eet mij niet, o koning van de dieren, meneer” piepte de muis, “als u me nu vergeeft dan vergeet ik dit nooit nooit meer. Ik zal u in de toekomst nog een dienst kunnen bewijzen om uw goedheid terug te betalen.”
“Jij mij een dienst bewijzen?” schaterde de Leeuw, “dat is het grappigste dat ik ooit heb gehoord.” Nog steeds lachend zette de Leeuw de muis weer op de grond. “Je hebt me zo laten lachen dat ik je nu niet op kan eten. Ren weg voor ik van gedachten verander.”
De muis rende weg zo snel zijn kleine pootjes hem konden dragen. Even later werd de Leeuw gevangen door een stel stropers. Zij bonden hem aan een boom terwijl ze weg gingen om hun auto te halen.
De kleine muis was dichtbij en hoorde het machtige hulpgeroep van de Leeuw. Hij snelde naar de Koning der dieren toe en knaagde het touw door. “Ik weet dat je me niet geloofde dat ik je zou kunnen helpen, maar ook een kleine muis kan iemand zo groot en sterk als jij helpen” piepte de muis.
“Dank je mijn kleine vriend,” zei de Leeuw, “ik zal deze les niet vergeten.”
4 Radiate – stralend
“Like the sun your smile radiates warmth and brings happiness to all who know you. – Paul Meddows”
“Net zoals de zon straalt jouw lach warmte en brengt geluk aan een ieder die jou kent. – Paul Meddows”
5 Shining – schitterend
Er is iets in de lach tussen ouder en kind wat ongrijpbaar maar schitterend is.
Onschuld, een zichtbare kern, puurheid, licht dat van binnen naar buiten straalt.
6 Grande – groots
Het theater bevat de grootste lach. Mensen gaan massaal er naar toe om te genieten, om geprikkeld te worden en om te lachen.
De lach in het theater is ook groots. Alles wordt vergroot uitgebeeld om de grap over te brengen in de zaal.
Theater van de lach, André van Duin, Toon Hermans en vele anderen brachten mensen tot een daverende lach en applaus.
7 Brilliant – briljant

“Vandaag, vul je beker van het leven
met zonneschijn en lach.”
Een briljante lach twinkelt, dwarrelt, straalt, schijnt, kleurt, blinkt, weerkaatst en glinstert.
8 Generous – gul
Een gulle lach is uitnodigend en niet gesloten.
Een gulle lach is voluit en niet beknepen.
Een gulle lach is aanwezig en niet afstandelijk.
Een gulle lach klinkt als een klok en kabbelt niet als een beekje.
Een gulle lach is wonderbaarlijk warm en niet kil en koud.
9 Tasteful – smakelijk

Iers gezegde:
“De lach is het helderst waar het eten het best is.”
Eten is net zo’n levensbehoefte als lachen.
10 Roar – schateren of bulderen
De schaterende lach is een aanstekelijke, heldere en vooral krachtige lach. Een bulderende lach is de mannelijke versie van de schaterende lach.
Waar bij de eerste het geluid hoger is komt bij de tweede versie het geluid diep vanuit de buik of de tenen.
Kinderen schateren, Meisjes giebelen, vrouwen hebben de slappe lach en mannen bulderen. Die schateren dus nog als ze kind zijn.
Over schateren gesproken. Ineens zie ik het lied van Katy Perry “Roar” in een ander licht.
Wat zijn jouw superlatieven? Wanneer ga je door de knieën en val je voor iemands lach? Vertel het in het reactieveld hieronder. Laat ons ook genieten :-)
Hop hop hop


Korte dagen en donkere lange nachten breken weer aan. De blaadjes vallen van de bomen, het weer is guur en onbestendig. Net zoals het weer omgeslagen is, zo kan de stemming van mensen hierdoor ook omslaan.
Gezond eten helpt ook. Vermijd gifstoffen als suiker en koffie. Eet veel fruit, groente en voeding met water zoals komkommers. Water is de transporteur van zuurstof in je lijf. Zuurstof is een belangrijk element in heling en genezing en algehele gezondheid, volgens een onderzoek van Dr. William Fry aan de Stanford University.
Wat is er heerlijker dan aan het einde van de dag aan tafel met z’n allen de dag door te nemen en te gieren om alle gekke verhalen die opgedist worden?
Peter was aangenaam verrast door deze verschijning. Er was helemaal geen aanleiding meer om haar te plagen. Hij wilde zelfs iets liefs zeggen tegen haar. Toen hij zich dat realiseerde werd hij er verlegen van. Inmiddels stonden ze stil, hun gezichten dicht bij elkaar. “Je ment booi, eh, bent mooi als je lacht” zei hij tegen haar. Nu werd Zonnestraal op haar beurt verlegen. “Oh” zei ze. Haar grote ogen keken in de zijne, op zoek naar de plaaglichtjes. Maar die bleven uit, hij meende het echt. Langzaam kwam zijn hoofd nog dichterbij en ze leunde iets naar hem toe. Ze voelde zijn ademhaling langs haar gezicht strijken. Voorzichtig raakten hun lippen elkaar.
Vrolijk nalachend liep ze weer de gang in. Er waren geen deuren meer over dus ze besloot de trap weer af te dalen. Ze wilde naar huis, haar vader weer zien, en zeggen dat het haar speet dat ze altijd zo chagrijnig was geweest. Ze wilde dansen in de zon, genieten van het gras en lachen met andere mensen. Ze opende de poortdeur en daar stond de dwerg die haar naar binnen had gelaten. “Hihihi, wat vond je van mijn kamer?” riep hij haar toe. “Heerlijk”, riep ze terug, “ik heb lang niet meer zo gelachen, dank je wel voor de bijzondere spiegels”. Terwijl ze samen terugliepen naar de zesde poort giebelden ze nog na over de filmpjes, vooral die met de plank.
Bij de tweede poort aangekomen nam de dwerg haar hand en keek haar stralend aan terwijl hij direct ook vuurrood werd. “Hoi, ik werd zo gelukkig op jouw kamer” vertelde ze hem. “Het was daar zo zacht en vredig, ik kon er helemaal mezelf zijn.” De dwerg presteerde het om nog een volle tint roder te worden. Bij de eerste grote poort lag de dwerg nog prinsheerlijk te slapen. Zachtjes kuste ze hem op de wang. “Dank je” fluisterde ze hem toe. “Door jou zijn er dierbare herinneringen boven gekomen. Dat was anders nooit gelukt.” “Hmm, daar ben ik blij mee” fluisterde hij slaperig terug.
De marmeren vloer en trap glommen haar tegemoet. Langzaam liep ze naar binnen. Het meisje was terecht gekomen in een grote hal waarin een brede marmeren trap zichtbaar was. “Hallo” riep ze, maar niemand antwoordde. Tree voor tree liep ze de grote trap op terwijl ze riep. Haar stem galmde door de ruimte, maar er kwam geen geluid terug. Bovengekomen zag ze een lange gang met zeven deuren. Ze opende lukraak een deur en stapte naar binnen. Midden in de kamer stond een groot hemelbed, met rode pluchen gordijnen. Op de muren waren rode klaprozen geschilderd en op de vloer lagen rozerode Perzische tapijten. Maar het opvallendste waren nog wel de spiegels. Overal in de kamer stonden of hingen spiegels. In alle soorten en maten waren ze daar. Groot, klein, vierkant, rond, prachtig afgewerkt en zonder rand. En overal waar ze keek, zag ze zichzelf.
De tekening schoof ze gauw in de zak van haar jurk voor ze verder liep naar de vierde kamer. Het kasteel begon vertrouwder aan te voelen en met een lichter gevoel opende ze de deur van de vierde kamer. “Huh, vat is dreemd, eh, dat is vreemd” dacht ze. De kroonluchter stond op de vloer en het bed hing aan het plafond. En de spiegels weerspiegelden haar niet op de gebruikelijke manier. Wanneer ze in de ene spiegel keek was ze lang en dun en wanneer ze in de andere spiegel keek weer kort en dik. Ze stelde zich voor hoe haar vader eruit zou zien in deze spiegels en kon een grijns niet onderdrukken. In de derde spiegel waren haar tanden goed te zien, net als bij een konijn.
De mannetjes legden hun knapzakjes over de schouder en liepen in een rij voor haar uit. “Hei ho, hei ho, het werk is weer gedaan” zongen ze in koor. Het meisje hoorde dat. Herinneringen aan verhalen van vroeger kwamen bovendrijven. Sprookjes die haar vader voorlas toen ze het nog toeliet. Sprookjes die ze ooit leuk vond om te luisteren, voordat ze zo’n dwingeland was geworden en haar vader gestopt was met voorlezen omdat hij geen kans meer kreeg. Nieuwsgierig liep ze achter de dwergen aan, half verwachtend dat ze straks bij een klein huisje zou komen met zeven kleine bedjes en een gedekte tafel met zeven kleine bordjes en zeven kopjes.
De volgende dag scheen de zon breeduit. Zonnestraal werd wakker en rekte zich uit. Gelukkig was het allemaal maar een boze droom. Ze wreef in haar ogen en door haar haar. “Aaaaahhhh,” waar waren haar lange blonde lokken gebleven? Ze voelde hoorntjes. Ze vloog uit bed om in de spiegel te kijken en zag dat de boze droom waar was. Ze liep rood aan en riep “ik krijg je nog wel, oude heks!” Snel kleedde ze zich aan, sloeg een hoofddoek om en snelde naar het hutje aan de rand van het bos. Ze bonsde op de deur, “doe open,” gilde ze uit. Maar er kwam niemand. Ineens viel het briefje op dat aan de deur geprikt was. “Ik ben in het bos” stond erop geschreven. Stampend en snuivend liep het meisje weg, richting het bos.
Net buiten het dorp, aan de rand van het bos, stond een kleine hut. Hierin woonde een oude vrouw waarvan men zei dat ze toverkracht bezat. Klop, klop. Zonnestraal klopte op de deur van de bejaarde dame. Na enige tijd werd er langzaam open gedaan. “Oh,” zei het gerimpelde gezicht, “waar kom jij een oude vrouw mee lastig vallen?” “Plaaggeest noemt me altijd Bokkenpruik, en dat ben ik spuugzat”, zei ze verbeten tegen de oude. “Ik wil iets zodat hij me nooit meer zal pesten.” De heks keek haar eens onderzoekend aan, dacht diep na en stak haar wijsvinger in haar mond. Toen hield ze haar vinger in de lucht en zei “aha, uit die hoek waait de wind. Ik heb de oplossing voor je die je zoekt. Maar je moet er wel iets voor over hebben. Ik wil je gouden ketting hebben.” “Je mag mijn gouden ketting, ik krijg van mijn vader heus wel een nieuwe,” zei het meisje. “Dat is goed,” zei de oude vrouw. “Luister goed, ik vertel dit maar een keer.”
Jantje lacht, Jantje huilt. Kinderen kunnen van het ene op het andere moment in lachen uitbarsten en het volgende moment in huilen. En andersom. 





